|
De Duitse herdershonden
stammen af van de bronshond, waarvan men aanneemt dat het de eerste echte
schapenhoeder van Europa was.
Plaatselijk
variëteiten van de herdershond kwamen ondertussen in alle mogelijke haartypen
en kleuren voor. Aan het einde van de negentiende eeuw
begon men, op basis van drie oude herdershondenrassen, op zeer bewuste en
bekwame wijze te fokken.
Hierdoor
ontstond zo langzamerhand de moderne herdershond.
De
eerste geregistreerde Duitse Herder werd in 1895 geregistreerd,
(SZ1): de
reu Horand von Grafrath (zie rechts boven).
De
Duitse Herdershond kan worden beschouwd als de gebruikshond
onder
de gebruikshonden en hij krijgt overal ter wereld veel belangstelling van
hondenkenners. Het is hoogstwaarschijnlijk het meest geregistreerde hondenras
ter wereld, en hij wordt veel gebruikt als diensthond op verschillende
gebieden.
|
|
Hoofd
|
:
|
Krachtig
zonder grof te zijn, de neusrug loopt bijna evenwijdig aan
de bovenbelijning van de schedel.
|
|
Ogen
|
:
|
Amandelvormig en iets schuin geplaatst, zo donker
mogelijk
en met
een
levendige uitdrukking.
|
|
Oren
|
:
|
Middelmatig
groot, breed aan de basis, hoog aangezet, rechtopstaand
en
naar voren gericht.
|
|
Gebit
|
:
|
Schaargebit
|
|
Hals
|
:
|
Sterk
en gespierd, de hoek ten opzichte van de romp (een horizontale lijn)
bedraagt ongeveer 45%.
|
|
Lichaam
|
:
|
De
Duitse Herdershond is een lichtgestrekte hond. De borstkas dient
diep
te
zijn en lang, met veel ruimte, de buiklijn iets opgetrokken.
De rug en
de
lendenen
dienen recht te zijn en matig af te lopen van de
schoft naar de
achterhand.
De hond moet zowel voor als achter zeer goed
gehoekt en goed
bespierd zijn.
|
|
Voeten
|
:
|
Kort,
rond en compact, met goed gewelfde en dikke voetzolen.
De
voormiddenvoeten dienen elastisch te zijn, zonder week te worden.
|
| Staart |
: |
Moet reiken tot het spronggewricht, wordt sabelvormig
gedragen en nooit boven de ruglijn. |
| Gangwerk |
:
|
De Duitse Herder is een dravende hond,
wat door de goede hoekingen
en de
lichtgestrekte lichaamsbouw mogelijk
wordt gemaakt.
De draf moet vrij zijn,
wijd uitgrijpend, krachtig en met grote
stuwkracht.
|
|
Vacht
|
:
|
Dicht, hard, recht, vlak aanliggend en met onderhaar.
|
|
Kleur
|
:
|
Zwart of grijs, eenkleurig of met een grijze, grijsgele
of roodbruine tint
|
|
Schofthoogte
|
:
|
Reuen:
schofthoogte 60 tot 65 cm. gewicht 30 tot 40 kg.
Teven: schofthoogte 55 tot 60 cm. gewicht 22 tot 32 kg.
|